Wat is correct: Ze gingen om de beurt / om beurt / om beurten naar boven?
De combinaties om de beurt en om beurten zijn standaardtaal in het hele taalgebied. Het is niet duidelijk of de combinatie om beurt standaardtaal in België is.
De combinaties om beurten en om de beurt drukken in de standaardtaal uit dat iets in geregeld afwisselende volgorde gebeurt.
(1) Gooi om de beurt met de dobbelsteen.
(2) De kinderen namen de beer om beurten mee naar huis en schreven dan op wat er met hem gebeurde.
Verder wordt in België ook om beurt gebruikt, ook door een aantal standaardtaalsprekers. Toch is er een niet te verwaarlozen groep taalgebruikers die die variant afkeurt. Het is daarom vooralsnog niet duidelijk of hij tot de standaardtaal in België gerekend kan worden.
(3) Zij zijn bereid om 's nachts om beurt de wacht te houden. (in België, status onduidelijk)
(4) 'The Canterbury Tales' is een ondeugende roman waarin pelgrims tijdens hun doortocht in Zuid-Engeland om beurt een verhaal vertellen. (in België, status onduidelijk)
Ook de combinaties bij toerbeurt en volgens (een) beurtrol drukken uit dat iets in geregeld afwisselende volgorde gebeurt. Beurtrol is standaardtaal in België. Toerbeurt is standaardtaal in het hele taalgebied.
(5) De nachtdiensten worden volgens (een) beurtrol verdeeld. [standaardtaal in België]
(6) De ouders zorgen bij toerbeurt voor het vervoer naar uitwedstrijden.
In informele spreektaal komen soms ook de vormen omstebeurt (in Nederland) en op toer (in België) voor. Die combinaties zijn geen standaardtaal.
(7) De kinderen staan omstebeurt in het midden. (in Nederland, geen standaardtaal)
(8) Jullie mogen elk op toer een computerspelletje spelen. (in België, geen standaardtaal)
Hendrickx, R. (2003). Taalmail 151. Geraadpleegd op 23 april 2008 via http://vrttaal.net/taaldatabanken_master/taalmail/taalmail151.shtml.
|
beurt | |
| Grote Van Dale (2005) | 2 met andere geregeld afwisselend voorval, zulk een handeling die met iets of iem. geschiedt: bij beurten, (ook) om beurten, (ook) om de beurt, (ook) beurt om beurt, in geregeld afwisselende volgorde, beurtelings |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2006) | 1 gelegenheid waarbij iem. of iets aan bod komt (…) om beurten1 afwisselend, om de beurt; om de beurt1 afwisselend |
| Verschueren (1996) | B. (…) Algm. afwisselend voorval, geval in de loop van de gebeurtenissen (…) – om -; bij of o –en; om de - |
| Koenen (2006) | 2 geregelde volg- of rangorde: ~ om ~; om ~en bij afwisseling; om de ~; |
| Kramers (2000) | keer dat iem. iets moet doen of dat er iets met hem wordt gedaan, in betrekking tot anderen die voor of na hem komen (…) om de ~, om beurten, op de ~ afwisselend |
| Woordenboek Correct Taalgebruik (2004), p. 35 | [wordt afgekeurd] om -, om de - |
| Taalwijzer (2000), p. 69 | Correct zijn: om (de) beurt, om beurten, aan de beurt zijn (niet: toer; vgl. Fr. à son tour). |