Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Afwillen / af willen

Vraag

Schrijf je af willen of afwillen in Het is duidelijk dat ze af( )willen van die rommel?

Antwoord

Af willen is correct: Het is duidelijk dat ze af willen van die rommel.

Toelichting

Bij scheidbaar samengestelde werkwoorden wordt het niet-werkwoordelijke deel (een voorzetsel of bijwoord, zoals op in opbouwen en mee in meegaan) vast geschreven aan het werkwoord waartoe het behoort.

(1) Iedereen weet wat we samen willen opbouwen.

(2) Erika vroeg of ik wilde meegaan.

In combinaties met willen, mogen, kunnen of moeten wordt het voorzetsel of bijwoord echter meestal los geschreven van het werkwoord.

(3) Ik vind het jammer dat de kinderen niet mee willen. (= mee willen gaan)

(4) Ze vertelden dat ze niet mee konden. (= mee konden gaan)

(5) Olivia vindt het niet leuk dat ze een jas aan moet. (= aan moet doen, trekken)

(6) Er zijn veel mensen die voor zeven uur op moeten. (= op moeten staan)

De reden om dit soort constructies los te schrijven, lijkt te zijn dat bij willen, mogen, kunnen en moeten, ook al worden ze hier min of meer zelfstandig gebruikt, toch altijd een ander werkwoord wordt gedacht. In plaats van mee in Ze vertelden dat ze niet mee konden kan meegaan worden gelezen. In Olivia vindt het niet leuk dat ze een jas aan moet kan aandoen of aantrekken worden gelezen.

Ook de vaste combinaties af willen (van iets), aan moeten (met iets), toe kunnen (met iets) ('rondkomen met'), toe moeten (met iets) en uit kunnen (met iets) ('rond kunnen komen') worden los geschreven.

(7) Hoewel we allemaal af willen van de papierberg, blijkt het papierloze kantoor nog vaak een utopie te zijn. (= af willen zijn, raken).

(8) Ze weten niet wat ze met dat rapport aan moeten. (= aan moeten vangen)

(9) Ik heb veel slaap nodig, maar er zijn mensen die met weinig slaap toe kunnen. (= toe kunnen komen)

(10) Ze beweren dat ze met zo’n karig loon niet uit kunnen. (= uit kunnen komen)

Enkele combinaties van een voorzetsel/bijwoord + kunnen of willen die een (min of meer) figuurlijke betekenis hebben, worden meestal aaneengeschreven. Concreet gaat het dan om de werkwoorden aankunnen, afkunnen, terechtkunnen, meewillen (in andere betekenissen dan hierboven) en meekunnen ('bruikbaar blijven').

(11) Lentel wist niet of Tijn dat wel aankon.

(12) Denk je dat je het werk vanaf nu alleen afkunt?

(13) Ik vraag me af waar we met zo’n probleem terechtkunnen.

(14) We gaan straks wandelen, als het weer tenminste meewil.

(15) Ik vrees dat mijn benen niet meer meewillen.

(16) Hij is ervan overtuigd dat zijn auto nog jaren meekan.

Bijzonderheid

Er is verschil tussen ervan af willen ('ergens verlost van willen zijn') en ervanaf willen ('van een plaats af willen springen/kruipen/…'). Bij ervanaf willen geeft ervanaf een bijwoordelijke bepaling van plaats aan. Het kan vervangen worden door een voorzetsel (en achterzetsel) en een naamwoord, bijvoorbeeld van de tafel (af).

(17) De kat zit op de tafel en wil ervanaf. (ervanaf willen = van de tafel af willen).

Bij ervan af willen gaat het om 'verlost willen zijn van iets'.

(18) Ik heb te veel kleren en wil ervan af. (ervan af willen = van de kleren af willen zijn, van de kleren verlost willen zijn)

Zie ook

Woordgroep of samenstelling? (Leidraad 6.8)

Aanhebben / aan hebben
Ermee aanmoeten / ermee aan moeten
Gebruikmaken / gebruik maken
Te kort schieten / tekortschieten

Naslagwerken

ANS (1997), p. 610 of online via de E-ANS; Grote Van Dale (2015); Woordenlijst (2015)