Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Dat / waarin (de periode -)

Vraag

Welke formulering is correct: De periode dat katten hun oude haren verliezen, noemt men de rui of De periode waarin katten hun oude haren verliezen, noemt men de rui?

Antwoord

De beide formuleringen zijn correct.

Toelichting

Als er op een zelfstandig naamwoord een bijzin volgt, is dat meestal een betrekkelijke bijzin. Zo'n bijzin kan worden ingeleid door een betrekkelijk voornaamwoord (bijvoorbeeld die, dat), een betrekkelijk bijwoord (bijvoorbeeld waar, toen, wanneer) of een betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord (bijvoorbeeld waarheen, waarvan). De hier opgesomde elementen verwijzen naar het zelfstandig naamwoord en hebben zelf een zinsdeelfunctie (bijvoorbeeld lijdend voorwerp of bijwoordelijke bepaling) in de bijzin.

(1) Het hotel dat we gereserveerd hebben ligt net buiten het centrum.

(2) Leg alles terug op de plaats waar je het genomen hebt.

(3) Wanneer komt de bus waarmee we naar Spanje gaan?

Sommige zelfstandige naamwoorden kunnen ook een nabepaling hebben in de vorm van een bijzin met een onderschikkend voegwoord (meestal dat of of). Doorgaans betreft het zelfstandige naamwoorden die naar vorm en betekenis overeenkomst vertonen met een werkwoord, zoals de vraag, het verwijt, de hoop, de vrees, het besef. De voegwoorden dat en of hebben alleen een verbindende functie en geen duidelijke betekenis. Ze verwijzen niet naar het zelfstandig naamwoord dat eraan voorafgaat.

(4) Ik had die avond het gevoel dat iemand me achtervolgde.

(5) Het is nog maar de vraag of hij de sterke moederbinding zal kunnen doorbreken.

(6) De wens dat zijn dochter carrière zou maken, hield hem voortdurend bezig.

Ook tijdsaanduidingen (bijvoorbeeld moment, tijd, periode) kunnen gevolgd worden door een bijzin met het voegwoord dat. Dat kan dan vervangen worden door toen of door een betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord (bijvoorbeeld waarin, waarop) als het zelfstandig naamwoord waarnaar het verwijst, voorafgegaan wordt door een bepaald lidwoord, bijvoorbeeld: de dag dat / waarop. Er is geen betekenisverschil tussen de beide constructies.

(7) Ze hadden de dag dat / waarop ze zouden trouwen voor iedereen geheimgehouden.

(8) Deze tentoonstelling geeft een goed beeld van de tijd dat / toen bijna heel Gallië bezet was door de Romeinen.

(9) Het moment dat / waarop het doek viel, begon iedereen enthousiast te applaudisseren.

Zie ook

Dat / waarom (de reden -)
Die / dat (de maanden - je afwezig was)
Elke keer als / dat

Naslagwerken

ANS (1997), p. 870-873 of online via de E-ANS