Naar de betekenis wel. Ze worden echter overwegend in verschillende contexten gebruikt: in de standaardtaal zegt men van mensen dat ze bezig zijn en van activiteiten dat ze aan de gang zijn. Dat onderscheid wordt niet heel consequent gemaakt. Vooral in België wordt in de context van gebeurtenissen, werkzaamheden of andere activiteiten ook bezig zijn gebruikt, waar men in Nederland aan de gang zijn gebruikt. Het is niet duidelijk of we bezig zijn in die contexten al dan niet tot de standaardtaal in België kunnen rekenen.
Men kan zeggen dat iemand met of aan iets bezig is. Men kan ook gewoon bezig zijn ('niet vrij zijn').
(1) Hij is bezig aan zijn boek.
(2) Hij is bezig met zijn werk.
(3) Het museum is bezig met een herinrichting.
(4) Zijn vader was druk bezig.
Soms wordt bezig zijn in de standaardtaal ook gebruikt voor gebeurtenissen, zoals in:
(5) De vergadering is bezig.
(6) Het is al bezig.
Van gebeurtenissen, werkzaamheden of andere activiteiten zegt men in de standaardtaal over het algemeen dat ze aan de gang zijn.
(7a) Het onderzoek naar onregelmatigheden bij de ziekenfondsen is nog aan de gang.
(8a) De werkzaamheden zijn nog aan de gang.
Die uitdrukking kan echter soms ook voor mensen worden gebruikt (zo ook met blijven).
(9) Hij is al een hele tijd aan de gang.
(10) En zo blijven we maar aan de gang.
Vooral in België wordt in de context van gebeurtenissen, werkzaamheden of andere activiteiten ook bezig zijn gebruikt, ook door veel standaardtaalsprekers, waar men in Nederland aan de gang zijn gebruikt. Toch is er een niet te verwaarlozen groep taalgebruikers die bezig zijn in die contexten afkeurt. Het is daarom vooralsnog niet duidelijk of we de uitdrukking in die contexten tot de standaardtaal in België kunnen rekenen.
(7b) Het onderzoek naar onregelmatigheden bij de ziekenfondsen is nog bezig. (in België, status onduidelijk)
(8b) De werkzaamheden zijn nog bezig. (in België, status onduidelijk)
| bezig zijn | aan de gang zijn | |
| Grote Van Dale (2005) | [bij bezig] 3 (…) bezig zijn met of aan - (gevolgd door een zn.) (…) 5 (van zaken) bezig zijn te - (gevolgd door een infinitief), ter aanduiding van een handeling die enige tijd aan de gang is | [bij gang] 8 (…) aan de gang zijn, (…) bezig zijn met iets |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2002) | - | [bij gang] aan de gang3 zijn bezig zijn |
| Verschueren (1996) | [bij bezig] 1. werkzaam, bedrijvig met: de hele dag aan iets - zijn; met werk - zijn | [bij gang] 3. handeling. Gez. (…) aan de - zijn, bezig zijn |
| Koenen (1999) | [bij bezig] 1 werkzaam: hij is de hele dag ~ | [bij gang] aan de ~ zijn: a) bezig zijn |
| Kramers (2000) | [bij bezig] met iets ~ zijn a) met iets aan de slag zijn | [bij gang] aan de ~ bezig, begonnen |
| Correct Taalgebruik (2001), p. 42 | Men kan zeggen dat iemand met iets bezig is, of aan iets bezig is. Men kan ook gewoon bezig zijn, d.w.z. niet vrij zijn. Van gebeurtenissen, werkzaamheden of andere activiteiten zegt men dat ze aan de gang zijn. Hier is 'bezig' niet mogelijk. | - |
| Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 37 | [bij bezig, wordt afgekeurd] de vergadering is -, aan de gang | - |
| Taalwijzer (1998), p. 71, 129 | [bij bezig] 1) Niet te verwarren met aan de *gang zijn; bezig zijn aan en met kunnen allebei in de betekenis van: werkende aan. | [bij gang] 2) Correct is: aan de gang zijn, houden, krijgen, helpen enz. |
| Stijlboek VRT (2003), p. 44 | [bij bezig] Mensen zijn bezig, gebeurtenissen zijn aan de gang. | - |