Is uitdoen correct in een combinatie als de aardappelen uitdoen?
Nee, uitdoen is alleen standaardtaal in de betekenissen: 'uittrekken, afleggen' (bijvoorbeeld schoenen en kousen uitdoen), 'uit iets verwijderen' (uithalen, uitnemen) en 'uitblazen', 'doven' (bijvoorbeeld het licht uitdoen). In een aantal andere betekenissen, zoals 'rooien', is uitdoen geen standaardtaal.
Uitdoen is standaardtaal in een drietal betekenissen:
1. in de betekenis 'uittrekken', 'afleggen';
2. in de betekenis 'uit iets verwijderen';
3. in de betekenis 'uitblazen', 'doven'.
(1) Hij deed vlug zijn schoenen uit.
(2) Je moet dat konijntje uit de doos doen, anders stikt het nog.
(3) Doe de lichtjes van de kerstboom eens uit.
In België komt uitdoen af en toe ook voor in een aantal andere betekenissen. In de volgende betekenissen is uitdoen geen standaardtaal:
4. in de betekenis 'rooien';
5. in de betekenis 'volbrengen', 'afmaken';
6. in de betekenis 'uitwissen', 'wegvegen', 'doorhalen'.
(4) In de herfst worden de aardappelen uitgedaan. (in België, geen standaardtaal)
(5) Hij heeft zijn geneeskundestudies nooit uitgedaan. (in België, geen standaardtaal)
(6) Ze moet nog vijf maanden van haar straf uitdoen en dan is ze vrij. (in België, geen standaardtaal)
(7) Wat je op het bord geschreven hebt, is helemaal verkeerd. Doe het maar vlug uit. (in België, geen standaardtaal)
In de standaardtaal zijn specifiekere werkwoorden gangbaar.
(8) Door het natte najaarsweer konden de aardappelen pas heel laat gerooid worden.
(9) Hij hoopt dit jaar zijn opleiding af te maken.
(10) De veroordeelde moest ook nog een eerdere straf uitzitten.
(11) De leraar had de voorbeelden op het bord alweer uitgeveegd.
| uitdoen | rooien | |
| Grote Van Dale (2005) | 2 uit iets verwijderen (…) (alg. Belg.N.) aardappelen uitdoen, rooien, delven (…) 3 (alg. Belg.N.) volbrengen (1), afmaken (4) (…) 4 (Belg.N., niet alg.) uitvegen, wegvegen, doorhalen, uitwissen | 1 ontwortelen, uit de grond halen na deze te hebben omgewoeld, uitgraven |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2002) | 3 (Belg., niet alg.) doen verdwijnen, uitvegen, doorhalen (…) 4 (Belg.) rooien 5 (Belg.) afmaken, volbrengen, uitzitten | 1 wortels van gewassen uit de grond halen …) syn. uitdoen |
| Verschueren (1996) |
2. Z.N. rooien 3. doen verdwijnen (…) b. doorhalen, uitwissen 5. Z.N. tot het einde toe doorlopen |
uit de grond halen, rukken, trekken |
| Koenen (1999) | [in deze betekenis niet opgenomen] | uit de grond halen, trekken enz., na de grond te hebben omgewoeld |
| Kramers (2000) | 3 ZN uithalen, uitnemen, wegnemen; (bonen) doppen; (bomen, veldvruchten e.d.) rooien; (…) 4 ZN tot het einde toe verrichten, volmaken (militaire dienst) uitdienen (…) (een studie, school) doorlopen; (zijn straf) uitzitten; (een handeling) afmaken, afronden | uit de grond halen |
| Correct Taalgebruik (2001), p. 261 |
In veel verbindingen is in de standaardtaal een ander werkwoord gangbaar. - Aardappelen rooien. - Zijn tijd uitzitten of uitdienen. - Een opleiding afmaken. Het einde van een bepaalde periode niet halen. |
- |
| Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 283 | [wordt afgekeurd] aardappelen -, rooien (…) een opleiding -, afmaken; een school -, afmaken, doorlopen; een straf -, uitzitten | [in deze betekenis niet opgenomen] |
| Taalwijzer (1998), p. 335 | [bij uitzitten, wordt afgekeurd] Correct is: een straf uitzitten (niet: uitdoen) | - |
| Vlaams-Nederlands woordenboek (2003) |
in België ook: - rooien, uit de grond halen (…) - wegvegen, uitwissen - tot het einde toe doorlopen, voltooien |
- |