Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Vervoeging

Onder vervoeging (of: conjugatie) worden de vormveranderingen verstaan bij werkwoorden, waarmee tijd (1), persoon (2), getal (3) en/of wijs (4) worden uitgedrukt:

(1) het brandt (onvoltooid tegenwoordige tijd) - het brandde (onvoltooid verleden tijd)

(2) ik loop (eerste persoon) - jij loopt (tweede persoon)

(3) hij werkt (enkelvoud) - zij werken (meervoud)

(4) wij stonden (aantonende wijs) - sta stil! (gebiedende wijs)

Wat de vervoeging betreft, zijn werkwoorden onder te verdelen in zwakke en sterke werkwoorden. Een zwak werkwoord is een werkwoord waarvan de vervoegde vormen volgens bepaalde regels op regelmatige wijze van de stam afgeleid kunnen worden, bijvoorbeeld werken - werk (stam) - (hij) werkt - gewerkt. Een sterk werkwoord is een werkwoord waarbij in de vervoeging (in de zogenaamde hoofd- of stamtijden) klinker- en soms ook medeklinkerveranderingen optreden, bijvoorbeeld eten - at - gegeten; bederven - bedierf - bedorven; brengen - bracht - gebracht.

Zie ook

Gebiedende wijs
Getal
Persoon
Stam
Verbuiging
Werkwoord
Werkwoordstijden