Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Koppelwerkwoord

Een koppelwerkwoord vormt in combinatie met een naamwoordelijk deel een naamwoordelijk gezegde. Als koppelwerkwoorden komen vooral zijn, worden en blijven voor; daarnaast worden de werkwoorden blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen ook als koppelwerkwoorden gebruikt. Alle koppelwerkwoorden kunnen overigens ook worden gebruikt in een andere functie: als zelfstandig werkwoord of als hulpwerkwoord.

In (1) is is het koppelwerkwoord en een goed docent het naamwoordelijk deel; in (2) is word het koppelwerkwoord en onpasselijk het naamwoordelijk deel:

(1) Maarten is een goed docent.

(2) Ik word er onpasselijk van.

Zie ook

Gezegde
Kern
Werkwoord