Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Hulpwerkwoord

Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat niet zelfstandig, maar slechts in combinatie met een ander werkwoord kan voorkomen: het is een nadere werkwoordelijke bepaling bij een hoofdwerkwoord. Hulpwerkwoorden worden onderscheiden in hulpwerkwoorden van tijd, van modaliteit, van de lijdende vorm en van causaliteit. Hulpwerkwoorden van tijd worden gebruikt in de samengestelde werkwoordstijden; hulpwerkwoorden van de voltooide tijd zijn hebben en zijn, het hulpwerkwoord van de toekomende tijd is zullen:

(1) Ik heb me deerlijk in hem vergist.

(2) Zij is gisteren thuisgekomen.

(3) Het zal morgen onweren.

Hulpwerkwoorden van modaliteit drukken uit hoe de spreker de verhouding tussen de beschrijving en de werkelijkheid ziet: als een wenselijkheid, een mogelijkheid enzovoort. Tot de modale hulpwerkwoorden worden gerekend: blijken, dunken, heten, hoeven, kunnen, lijken, moeten, mogen, schijnen, voorkomen, willen. Voorbeelden:

(3) Daarvoor mogen we God wel op onze blote knieën bedanken.

(4) Ze kunnen niet meer produceren, al zouden ze het willen.

Het werkwoord worden wordt mede gebruikt als hulpwerkwoord van de lijdende vorm, waarin het grammaticale onderwerp gelijk is aan het logische lijdend voorwerp:

(5) Het pakket wordt in de namiddag bezorgd.

(6) Die klus is zo geklaard.

Zie ook

Hoofdwerkwoord
Lijdende vorm
Modaliteit
Onderwerp
Werkwoord