Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Congruentie bij een als onderwerp gevoeld indirect object (algemeen)

Inleiding
Meewerkend voorwerp of ander indirect object
Werkwoordelijke uitdrukkingen


Inleiding Top

Onderwerp en persoonsvorm in de zin stemmen in principe met elkaar overeen in persoon en getal. Maar soms bestaat er onduidelijkheid over wat precies het onderwerp van de zin is en daardoor over het getal van de persoonsvorm. Taalgebruikers vragen zich bijvoorbeeld af of het moet zijn Reizigers voor de richting Den Helder worden aangeraden in Utrecht over te stappen of Reizigers voor de richting Den Helder wordt aangeraden in Utrecht over te stappen.

Onduidelijkheid ontstaat vooral in zinnen in de lijdende vorm (het passief) waarin een werkwoord voorkomt dat gewoonlijk een meewerkend voorwerp of ander indirect object bij zich krijgt, zoals aanraden, adviseren, afraden, bevelen, vragen, mankeren.

Vergelijkbare onduidelijkheid kan ontstaan in zinnen met een werkwoordelijke uitdrukking, zoals de bodem inslaan, de mond snoeren, de loef afsteken, de mantel uitvegen, de deur wijzen.

In dergelijke gevallen zijn er vaak twee grammaticale analyses mogelijk, waardoor er ook twee zinnen correct zijn. Het verschilt per geval welk van de twee zinnen gewoner is. In de loop van de tijd kan de voorkeur ook verschuiven, vooral doordat er in het Nederlands een ontwikkeling gaande is, waarbij steeds meer indirecte objecten niet langer als indirect object worden opgevat.


Meewerkend voorwerp of ander indirect object Top

Aanraden, adviseren, afraden, bevelen, vragen, enzovoort, zijn werkwoorden die een meewerkend voorwerp bij zich krijgen. In zinnen in de lijdende vorm ontstaat soms onduidelijkheid over het getal van de persoonsvorm: is het Reizigers voor de richting Den Helder worden aangeraden in Utrecht over te stappen of Reizigers voor de richting Den Helder wordt aangeraden in Utrecht over te stappen?

Vergelijken we zinnen in de lijdende vorm met hun pendanten in de bedrijvende vorm, dan geldt in het algemeen: wat in een zin in de bedrijvende vorm lijdend voorwerp is, is in een overeenkomstige zin in de lijdende vorm onderwerp; wat indirect object is, blijft in principe indirect object. Vergelijk:

(1a) We hebben het bericht gisteren per e-mail verstuurd. (zin in de bedrijvende vorm: het bericht is lijdend voorwerp)

(1b) Het bericht is gisteren (door ons) per e-mail verstuurd. (zin in de lijdende vorm: het bericht is onderwerp)

(2a) Na de vergadering overhandigde de voorzitter de vertrekkende bestuursleden een fles wijn. (zin in de bedrijvende vorm: de vertrekkende bestuursleden (=aan de vertrekkende bestuursleden) is meewerkend voorwerp, een fles wijn is lijdend voorwerp)

(2b) Na de vergadering werd de vertrekkende bestuursleden (door de voorzitter) een fles wijn overhandigd. (zin in de lijdende vorm: de vertrekkende bestuursleden (=aan de vertrekkende bestuursleden) is meewerkend voorwerp, een fles wijn is onderwerp)

Aangezien het onderwerp in zin (2b) een enkelvoud is, krijgt ook het vervoegde werkwoord (werd) de enkelvoudsvorm. Het gebruik van het meervoud werden is hier niet juist.

Bij zinnen met werkwoorden als aanraden, adviseren, afraden, vragen enzovoort zijn er twee analyses mogelijk, met name in die gevallen waarin de zin een beknopte bijzin als deel heeft. Vergelijk:

(3a) De conducteur raadde de reizigers aan in het voorste treinstel plaats te nemen. (zin in de bedrijvende vorm: de beknopte bijzin (gecursiveerd) is lijdend voorwerp, de reizigers (=aan de reizigers) is meewerkend voorwerp)

(3b) De reizigers werd (door de conducteur) aangeraden in het voorste treinstel plaats te nemen. (zin in de lijdende vorm: de beknopte bijzin is onderwerp, de reizigers (=aan de reizigers) is meewerkend voorwerp)

(3c) De reizigers werden (door de conducteur) aangeraden in het voorste treinstel plaats te nemen. (zin in de lijdende vorm: de beknopte bijzin is lijdend voorwerp, de reizigers is onderwerp)

Alleen zin (3b), met de enkelvoudige persoonsvorm werd, is in overeenstemming met het hiervoor beschreven principe van correspondentie tussen zinnen in de bedrijvende en zinnen in de lijdende vorm. Constructies zoals (3c), met een persoonsvorm in het meervoud (werden), komen evenwel frequent voor. Voor het taalgevoel van heel wat taalgebruikers fungeert niet de beknopte bijzin, maar het zelfstandig naamwoord of de zelfstandignaamwoordgroep van de hoofdzin (in dit geval de reizigers) als onderwerp. Grammaticaal zijn beide invalshoeken mogelijk, en daarom zijn beide zinnen geaccepteerd.

Vergelijkbare voorbeelden zijn:

(4a) We adviseren de weggebruikers de snelweg bij de eerstvolgende afrit te verlaten.

(4b) De weggebruikers wordt geadviseerd de snelweg bij de eerstvolgende afrit te verlaten.

(4c) De weggebruikers worden geadviseerd de snelweg bij de eerstvolgende afrit te verlaten.

(5a) De politie vroeg de vreemdelingen zich te legitimeren.

(5b) De vreemdelingen werd gevraagd zich te legitimeren.

(5c) De vreemdelingen werden gevraagd zich te legitimeren.

Ook een ondervindend voorwerp wordt soms als onderwerp opgevat, met name als het aan het begin van de zin staat. Dat doet zich onder meer voor in zinnen met het werkwoord mankeren.

(6a) Veel katten mankeert gelukkig niets.

(6b) Veel katten mankeren gelukkig niets.

(7a) Hun wordt op het hart gedrukt eens lekker te ontspannen.

(7b) Ze worden op het hart gedrukt eens lekker te ontspannen.


Werkwoordelijke uitdrukkingen Top

Eenzelfde soort variatie doet zich voor bij sommige zinnen met een werkwoordelijke uitdrukking, zoals de bodem inslaan, de kop indrukken, de mond snoeren, de loef afsteken, de mantel uitvegen, de deur wijzen, de les lezen, een kort leven beschoren zijn. Die kunnen ook op twee manieren geanalyseerd worden.

Zulke werkwoordelijke uitdrukkingen worden tegenwoordig vaak opgevat als één zinsdeel omdat het vaste combinaties zijn die in hun geheel een eigen, meestal figuurlijke betekenis hebben (bijvoorbeeld de mond snoeren betekent 'doen zwijgen'). Ze worden dan gecombineerd met een lijdend voorwerp (bijvoorbeeld iemand in iemand de mond snoeren). In een passieve zin wordt dat lijdend voorwerp het onderwerp van de zin: hij wordt de mond gesnoerd, zij worden de mond gesnoerd.

Deze combinaties kunnen ook nog geanalyseerd worden als een verbinding van een werkwoord (bijvoorbeeld snoeren) met een lijdend voorwerp (de mond) en een indirect object (iemand). In een passieve zin blijft het indirect object dan behouden en wordt het lijdend voorwerp onderwerp: iemand (bijvoorbeeld hem, hun) wordt de mond gesnoerd.

Door de twee mogelijke analyses zijn zowel de (b)-zinnen als de (c)-zinnen hieronder correct. Het verschilt van geval tot geval welke variant gebruikelijker is.

(8a) Dat sloeg onze hoopvolle verwachtingen meteen de bodem in.

(8b) Onze hoopvolle verwachtingen werden daardoor meteen de bodem ingeslagen.

(8c) Onze hoopvolle verwachtingen werd daardoor meteen de bodem ingeslagen.

(9a) Hij wees de bezoekers andermaal bars de deur.

(9b) De bezoekers werden andermaal bars de deur gewezen.

(9c) De bezoekers werd andermaal bars de deur gewezen.

(10b) Ze zijn hetzelfde lot beschoren als de Engelsen.

(10c) Hun is hetzelfde lot beschoren als de Engelsen.

Zie ook

Betreuren (mij betreurt / ik betreur)
Ik pas deze schoenen niet / deze schoenen passen mij niet
In de weg leggen (we worden / ons wordt niets in de weg gelegd)
Mankeren (ik mankeer / mij mankeert niets)
Verzoeken (De reizigers worden / wordt verzocht)
Wijzen op (de kandidaten worden / wordt erop gewezen dat ...)

Bronnen

Van der Horst, Joop (1999). Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw. Den Haag/Antwerpen: Sdu Uitgevers/Standaard Uitgeverij.

Naslagwerken

ANS (1997) p. 1410-1411 of online via de E-ANS