Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Hen / hun (algemeen)

De klassieke schoolregel, die teruggaat op een zeventiende-eeuws voorstel, maakt voor het gebruik van hen en hun een kunstmatig onderscheid naargelang van de grammaticale functie. Die regel schrijft het volgende voor:

A. Gebruik hen in de functie van lijdend voorwerp of oorzakelijk voorwerp, respectievelijk bijvoorbeeld:

(1) (Waar Gerard en Jan zijn?) Ik heb hen daarnet in de tuin zien lopen.

(2) (Wat zijn die leerlingen toch vervelend!) We zijn hen liever kwijt dan rijk.


B. Gebruik hun in de functie van meewerkend of belanghebbend voorwerp (zonder voorzetsel) of ondervindend voorwerp, respectievelijk bijvoorbeeld:

(3a) We hebben het hun verteld.

(4a) Zal ik hun een goed glas wijn inschenken?

(5) Het verbaasde hun niets.


C. Gebruik altijd hen na een voorzetsel, ongeacht de functie van het zinsdeel, bijvoorbeeld:

(3b) We hebben het aan hen verteld.

(4b) Zal ik voor hen een goed glas wijn inschenken?

(6) We gingen naast hen zitten.


In de praktijk worden beide vormen echter heel vaak zonder onderscheid door elkaar gebruikt. Ook in de geschreven taal, waar deze regel in de eerste plaats voor bedoeld is, wordt het onderscheid zelden consequent toegepast. Dat komt vermoedelijk mede doordat er in heel wat gevallen onduidelijkheid bestaat over de functie van het zinsdeel in kwestie. Volgens de regel hoort onder meer in de volgende gevallen hun gebruikt te worden: het zal hun berouwen, het bevalt hun niet, het ontgaat hun, het was hun al opgevallen, ik ben hun daar zeer dankbaar/erkentelijk voor, het lukte hun niet, het valt hun zwaar, er is hun veel aan gelegen, het werk werd hun uit handen genomen, het zweet brak hun uit, dat gaat hun niets aan, hun zal zoiets niet gauw gebeuren/overkomen, dat komt hun goed uit/van pas, het komt hun toe.

Er is een toenemende tendens bespeurbaar om hen ook te gebruiken in gevallen waar strikt genomen hun gebruikt zou moeten worden. Aangezien hen bovendien doorgaans stilistisch hoger gewaardeerd wordt dan hun, kan men in geval van twijfel over de precieze vorm het best hen gebruiken. Als alternatief voor de lastige keuze kan het gebruik van ze dienen, maar het nadeel daarvan is dat deze vorm soms als te informeel ervaren wordt en daarom door sommigen minder geschikt geacht wordt voor geschreven taal.

Haar / hen (vrouwelijk meervoud)
Hen, hun / ze (verwijzing naar personen)
Hen, hun / ze (verwijzing naar zaken)
Hen / hun (het ontgaat -)
Hen / hun (het verbaast -)
Hen / hun (ik heb - gemaild)
Hen / hun (ik heb - op de vingers getikt)
Hen / hun (dat maakt - niet uit)
Hen / hun (de laatste maanden zijn - de vreselijkste dingen overkomen)
Hen / hun (we zijn - verregaand tegemoetgekomen)
Hun / hen (het interesseert -)
Hun / hen (ik laat - een opdracht uitvoeren)
Hun / zij hebben dat gedaan

Naslagwerken