Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Enkelvoudsvorm / meervoudsvorm bij hoeveelheidsaanduidende zelfstandige naamwoorden (algemeen)

Na een bepaald hoofdtelwoord (behalve beide), na hoeveel, zoveel en een paar staan zelfstandige naamwoorden die een hoeveelheid aanduiden (bijvoorbeeld een maat, inhoud, gewicht, munt) en de woorden maal en keer gewoonlijk in het enkelvoud: vijfhonderd meter, drie hectare, hoeveel liter, zoveel kilogram, een paar ton, tien euro, hoeveel maal, zoveel keer.

0,1 minuten / 0,1 minuut
Hectare(n) (enkelvoud of meervoud na telwoord?)
Euro: een bedrag in euro('s)?
Een tiental centimeters / een tiental centimeter
Stuks (twee - fruit ligt / liggen klaar)

Maar: twintig (Deense, Noorse, Slovaakse) kronen, vier stuivers, twee dubbeltjes, negen kwartjes.

De hoofdregel geldt ook als het hoofdtelwoord gevolgd wordt door een rangtelwoord, een halve of een kwart (met andere woorden als het telwoord een breukgetal of een gemengd getal is): twee en een achtste meter, vier en een halve frank, negen en een kwart gram, drie vierde liter.

Soms kunnen deze zelfstandige naamwoorden ook een meervoud krijgen, bijvoorbeeld als het accent op de losse eenheden ligt of als de zelfstandige naamwoorden als voorwerpsnaam worden gebruikt:

(1) Ik heb het hem al honderden keren gezegd.

(2) Hij kreeg vijftig losse euro's.

Tijdsaanduidingen staan doorgaans in het meervoud, behalve jaar, uur en kwartier: veertig dagen, zeven weken, hoeveel maanden, zoveel seconden, een paar eeuwen; tien jaar, twaalf uur, drie kwartier.

Jaar / jaren (enkelvoud of meervoud na telwoord?)
Maand(en) (enkelvoud of meervoud na telwoord?)

Na breuken en gemengde getallen staan deze zelfstandige naamwoorden echter altijd in het enkelvoud: een tiende seconde, anderhalve maand, negen en een halve week.

Anderhalf jaar (in de / het afgelopen -)
Twee en een halve maand is / zijn verstreken

Naslagwerken

ANS (1997), p. 438-441 of online via de E-ANS; Taalboek Nederlands (1997), p. 111, 383-384; Schrijfwijzer (1995), p. 115-116